De eendjes voeren.
Je kunt het
eigenlijk nauwelijks een onderwerp noemen, maar toch vind ik het een
boeiend tafereel. Het zijn altijd oude mensen die het doen (of heel
kleine kinderen in gezelschap van hun moeder) en ze slagen er altijd in
een overweldigende droevigheid uit te stralen. Alleen de vogels
begrijpen hen. Die praten niet terug; die zijn gelukkig met een stukje
brood.
Ik heb jarenlang aan een kade gewoond, en drie keer per
week verscheen daar een oude dame met zakken vol brood om aan de
eenden, de duiven en de meeuwen te voeren. Op het hoogtepunt van haar
bezigheden was ze niet meer te zien, zo veel vogels dwarrelden er om
haar heen. Ik heb haar wel eens gevraagd hoe ze aan al dat brood kwam.
Zo veel kon ze toch zelf niet overhouden. Nou, simpel, ze haalde het
bij de bakker.
Een andere klant op dezelfde kade was een heer in
een verschoten, bruine jas. Hij voerde de vogels een paar keer per week
zijn lunchpakket, een pakje belegde boterhammen in een beslagen plastic
zakje dat hij altijd met enige schroom uit zijn jaszak haalde. Maar
zodra hij met voeren was begonnen, was hij in zijn element. Hij praatte
tegen de eenden alsof hij ze persoonlijk kende en maakte er een punt
van alle vogels aan de beurt te laten komen. Soms ging hij zo op in het
contact dat hij op zijn hurken kwam te zitten en probeerde zijn
favoriete vrienden beet te pakken. Het idee dat een vereenzaamde heer
zich met een eend onder de oude jas uit de voeten maakt omdat hij
verder aan niets en niemand meer aanspraak heeft, daar zit toch een
film in.
Zou ik zelf ooit zo langs het water staan?
Ik heb
geen bijzonder zwak voor eenden, maar ik denk Ton Lutz ook niet, of zou
het een kwestie van leeftijd zijn? In dat geval is het een cirkel
waarin we leven: we beginnen aan moeders hand in het park, voorzichtig
strooien we de stukjes broodkorst over het gazon bij de vijver, en zie,
daar komen de eenden al, ijdel en waggelend, met hun jonkies tussen hen
in, en we eindigen als zonderlinge senior aan de waterkant, vogels op
ons hoofd, vogels op de schoenen.
Maar waarom nemen we geen hond?
Dat is toch veel prettiger gezelschap? Of een poes: lekker makkelijk en
het snort nog gezellig ook. Of zijn die dieren zo gedomesticeerd dat ze
ons niets meer vertellen over de natuur, het komen en gaan van de
seizoenen, dat soort dingen? Zijn ze geen dier genoeg? En vallen oude
stadsbewoners daarom op eenden, duiven, meeuwen, koolmezen, die ze
kunnen lokken met pinda's en een vetbol?
Dit lijkt me het geheim
van de vogels in de stad: zij zijn de boodschappers van de seizoenen,
de gevederde vrienden van het leven waar we ons aan vastklampen. Daarom
ook schijnen bejaarden depressief te worden als hun woonomgeving met
groenblijvers zijn volgeplant; dat zijn struiken en planten die in de
herfst hun blad niet verliezen, waardoor het contact met de seizoenen
verdwijnt.
Maar intussen worden de vogels natuurlijk wel te dik,
en dat brengt mevrouw Jossee van der Velde ertoe mij te vragen of een
eend ook zo dik kan worden dat hij zinkt. Eerlijk is eerlijk, deze
vraag heeft mij behoorlijk van mijn stuk gebracht. Ik weet natuurlijk
niets van eenden, maar het beeld van een zinkende eend vind ik zo
absurd dat het me bijna niet lukt het als schokkend te zien. Het past
in die film over die man, type Jim van der Woude, die met een eend
onder zijn jas door de kale, onherbergzame straten van Amsterdam-West
struint. Misschien is een film over eenden zo'n gek idee nog niet. Er
schijnt ook een leuke film over reigers te zijn en zelfs een mooie
documentaire over Maria, de moeder van Jezus. Dus waarom dan niet over
eenden? Voor eenzaamheid is altijd een markt.